Overzicht van Nieuwe Kerncentrales
Inleiding
Achtergrond
Kernenergie voorziet thans in de elektriciteitsvoorziening van circa 1 miljard mensen.
Dit aandeel komt overeen met 17% van het totale elektriciteitsverbruik in de wereld en
is al jaren stabiel, dankzij efficiëntieverbetering en een gestage groei van het aantal
kerncentrales in voornamelijk het Verre Oosten. Zo zijn in 2005 zeven centrales in bedrijf
gekomen met een totaal vermogen van ruim 8000 MWe (18 keer het vermogen van de kerncentrale
in Borssele), en zijn er 27 in aanbouw. In West-Europa voorziet kernenergie in 35% van het
elektriciteitsverbruik.
Recent is kernenergie ook in het Westen opnieuw in de belangstelling gekomen vanwege de
mogelijkheid om zonder productie van broeikasgassen en tegen concurrerende kosten
elektriciteit te produceren. Om deze redenen wordt momenteel een kerncentrale gebouwd
in Finland en wordt binnenkort gestart met de bouw van een nieuwe kerncentrale in
Frankrijk. Ook in de VS lopen diverse initiatieven die moeten leiden tot nieuwbouw
van kerncentrales.
Dit document geeft een overzicht van de verschillende typen kerncentrales die nu op
de markt zijn of in de nabije toekomst (10 jaar) zouden kunnen worden gebouwd. Tevens
wordt een overzicht gegeven van de zogenaamde “Generatie-IV” reactoren die nog enkele
decennia ontwikkeltijd vergen.
Typen reactoren
De huidige generatie kerncentrales bestaat voor meer dan 80% uit lichtwaterreactoren (LWR).
Dit zijn kerncentrales waarvan de reactorkern is samengesteld uit enkele tienduizenden
splijtstofstaven met een lengte van circa vier meter en een diameter van één centimeter.
Deze staven zijn gevuld met uraniumoxide tabletten waarin de kernsplijtingen plaatsvinden.
Langs de splijtstofstaven stroomt water dat de geproduceerde warmte opneemt en wegvoert.
Bij een ingestelde druk van 75 bar raakt het koelwater in de reactorkern aan de kook en
spreekt men van kokendwaterreactoren (Boiling Water Reactor-BWR). Bij een tweemaal zo hoge
druk, kan het koelwater niet koken en spreekt men van drukwaterreactoren (Pressurized Water
Reactor-PWR). In het laatste geval wordt het verhitte water eerst naar een stoomgenerator
geleid. In beide typen centrales wordt de stoom naar een reeks turbines geleid die een
generator aandrijven voor de productie van elektriciteit. Wereldwijd zijn bijna 60% van
de ruim 440 kerncentrales drukwaterreactoren, terwijl ruim 20% bestaat uit kokendwaterreactoren.
De resterende fractie kerncentrales wordt gekoeld met gas (helium of kooldioxide) of een
vloeibaar metaal zoals gesmolten natrium of lood. Hiertoe behoren de zogenaamde "snelle"
reactoren die betere mogelijkheden bieden voor de recycling van plutonium.
Veiligheid van kerncentrales
Vervalwarmteproduktie
In kerncentrales wordt warmte geproduceerd door atoomkernen van uranium en plutonium te
laten splijten in twee brokstukken. De splijtingsproducten zenden nog gedurende enkele
tientallen jaren ioniserende straling uit die schadelijk is voor mens en milieu. Het
overgrote deel van de radioactieve splijtingsproducten zullen echter vervallen gedurende
de tijd dat de splijtstofelementen nog in de reactorkern zitten. De vervalwarmte van
splijtingsproducten bedraagt circa 7% van het totale reactorvermogen en moet te allen
tijde worden afgevoerd om beschadiging van de splijtstof in de reactorkern (kernsmeltongevallen)
te voorkomen.
Verkleining van de kernsmeltfrequentie
De kans dat de kern door oververhitting beschadigd raakt kan worden berekend met
probabilistische methoden en wordt aangeduid met de kernsmeltfrequentie. Om deze kans
te reduceren tot 10-5/jaar vertrouwen de ontwerpers van kerncentrales op diverse
redundante en gescheiden noodkoelsystemen, waarvan de werkingsprincipes in de loop
van de tijd zijn verschoven van “actief veilig” (berustend op activerende krachten
zoals elektriciteit), via “passief veilig” (berustend op passieve krachten zoals de
zwaartekracht of natuurlijke circulatie) tot “inherent veilig” (geen extra systemen
benodigd).
Beperking van de verspreidingskans
Hoewel de kernsmeltfrequentie algemeen wordt gezien als maat voor de veiligheid van
een reactor, is het voor omwonenden relevanter te weten of bij een ongeval radioactieve
splijtingsproducten vrijkomen. Om deze kans te verkleinen, zijn kerncentrales voorzien
van meervoudige omhullingen die enerzijds een grote overdruk kunnen weerstaan en
anderzijds invloeden van buiten kunnen tegenhouden. Zo heeft de kerncentrale Borssele
een gasdichte stalen omhulling die een overdruk van 4,5 bar kan weerstaan en een koepel
van gewapend beton. Pas in uiterste nood zou bij een kernsmeltongeval gebruik gemaakt
hoeven te worden van de gefilterde afblaasinstallatie. De nieuw ontworpen EPR die later
zal worden besproken, bevat een zogenaamde ‘core catcher’ die de gevolgen van een
kernsmeltongeval sterk reduceert, en een dubbele betonnen omhulling die bestand is tegen
de gevolgen van een dergelijk ongeval. Deze reactor zal dus in geval van een kernsmeltongeval
niet hoeven te lozen via een gefilterd afblaassysteem.
Brandstoftypen
Uraniumoxide en MOX brandstof
Vrijwel alle kerncentrales maken gebruik van uranium als brandstof. Omdat in
lichtwaterreactoren het gebruik van natuurlijk uranium niet mogelijk is, wordt
het uranium verrijkt in de splijtbare isotoop uranium-235 van 0.7% in uraniumerts
tot circa 4.5%. Dit vindt onder andere plaats bij URENCO in Almelo. Na bestraling
in de reactor, zal de splijtstof nog circa 1% uranium-235 bevatten, evenals 4%
splijtingsproducten, 1% plutonium en circa 0.1% andere actiniden (de zogenaamde
"minor" actiniden zoals neptunium, americium en curium). Het plutonium en uranium
zijn nog bruikbare componenten die kunnen worden gerecycleerd. Daartoe wordt
plutoniumoxide gemengd met uraniumoxide in zogenaamde Mixed-OXide (MOX) splijtstof
en teruggevoerd in de reactor. De oudere kernreactoren kunnen voor 1/3 deel worden
beladen met MOX splijtstofelementen, terwijl nieuwe reactoren meestal geheel kunnen
worden beladen met MOX. In het eerste geval kan de productie van plutonium worden
afgeremd, terwijl in het tweede geval de hoeveelheid plutonium in absolute zin kan
worden gereduceerd. Recycling van alle actiniden inclusief de zogenaamde "minor"
actiniden kan alleen in snelle reactoren.
Brandstof voor kogelbedreactoren
Een speciaal type brandstof is die van de Hoge Temperatuur Reactor (HTR) die later
zal worden besproken. De kern van deze reactor bestaat uit grafietbollen met een
diameter van 6 cm die elk circa 15000 kleine uraniumoxidekorrels bevatten. Iedere
korrel heeft een diameter van 0,5 mm en is omgeven door een drievoudige gasdichte
omhulling. Dit type splijtstof staat bekend om zijn goede retentie-eigenschappen
tot zeer hoge temperaturen van 1600 oC.
Afvalproductie
In kernreactoren, zowel LWRs als HTRs, worden twee soorten radioactief afval
geproduceerd: kernsplijtingsafval en hogere actiniden zoals plutonium en americium.
De eerste afvalsoort is een direct gevolg van het kernsplijtingsproces en kan niet
worden vermeden. Wel zullen reactoren met een hogere efficiëntie verhoudingsgewijs
minder kernsplijtingsafval produceren. De productie van plutonium kan worden
gereduceerd door de brandstof beter te benutten. De huidige tendens om te streven
naar hogere opbrandwaarden voor de splijtstof levert dan ook kleinere hoeveelheden
plutonium. De gebruikte splijtstof van lichtwaterreactoren kan worden opgewerkt
waarbij het nog bruikbare uranium en plutonium wordt gescheiden van het
kernsplijtingsafval en de andere actiniden. De gebruikte splijtstof van een HTR
kan met de huidige technologie niet worden opgewerkt, maar moet direct worden
opgeslagen. Doordat de splijtstofkorrels van dit type reactor zit ingebed in een
matrix van grafiet levert dit verhoudingsgewijs een groot volume aan afval op.
Proliferatieaspecten
Zoals vermeld, kunnen uranium en plutonium via het proces van opwerking worden
afgescheiden van de restmaterialen. Hoewel dit proliferatie in de hand zou kunnen
werken, is het plutonium uit lichtwaterreactoren, zeker uit splijtstof van moderne
centrales met een hoge opbrandwaarde, niet geschikt voor gebruik in kernwapens.
Plutonium uit gebruikte splijtstof bestaat namelijk uit een mengsel van isotopen
terwijl kernwapenplutonium voor meer dan 90% uit de splijtbare isotoop plutonium-239
bestaat. Voorkóming van diefstal van plutonium zal echter altijd de nodige zorg eisen.
De gebruikte splijtstofkorrels van HTRs kan vooralsnog niet worden gescheiden van
het grafiet en vormt dus ook geen gevaar t.a.v. proliferatie. Wel zou een dergelijk
scheidingsproces in de toekomst kunnen worden ontwikkeld.
Generaties van kerncentrales
Generaties II, III, en III+
Onder de eerste generatie reactoren worden de prototypen verstaan die in de jaren ’50
en ’60 zijn gebouwd en die niet meer in bedrijf zijn. Vrijwel alle kerncentrales in
het Westen zijn van de tweede generatie die zijn ontworpen en gebouwd in de jaren ’70
en ’80 van de vorige eeuw. De derde generatie kerncentrales is ontworpen in de jaren
’90 als evolutionaire opvolger van de tweede generatie. Hiervan zijn er reeds enkele
in bedrijf, zoals de Advanced Boiling Water Reactor (ABWR) in Japan (sinds 1996), of
in aanbouw, zoals de ABWR in Japan en Taiwan en de European Pressurized Water Reactor
(EPR) in Finland. Momenteel wordt door diverse fabrikanten gewerkt aan het ontwerp en
de certificering van generatie-III+ reactoren, die in grote mate gebruik zullen maken
van passieve veiligheidssystemen.
Kogelbedreactoren
Momenteel kunnen alleen de HTRs tot de categorie ‘inherent veilig’ worden gerekend.
Hiertoe behoort ook de kogelbedreactor die momenteel erg in de belangstelling staat.
Deze zal pas rond 2015 op de markt komen. Het type HTR met extra hoge bedrijfstemperatuur,
de zogenaamde Very High Temperature Reactor (VHTR), valt in de categorie van de vierde
generatie reactoren (zie hierna) en zal via een geleidelijke ontwikkeling later op de
markt komen.
Generatie-IV
Het doel van het generatie-IV programma is om reactoren te ontwerpen die excelleren
op de gebieden van veiligheid, economie, grondstoffengebruik en non-proliferatie.
Er is echter niet één reactortype dat al deze eigenschappen in zich verenigt.
Integendeel, de thermische reactoren zullen waarschijnlijk nooit alle actiniden
kunnen recycleren, terwijl snelle reactoren veel eerder als passief veilig dan als
inherent veilig zullen worden beschouwd. Het is vooral de combinatie van reactoren
die in goede samenwerking een veilige kernenergiemix vormen met een maximale benutting
van de grondstoffen.
Tabel I: Schematisch overzicht van de verschillende generaties kerncentrales.
| Generatie | Kenmerken | Periode | Voorbeeld |
| I | Prototypen | 1945-1965 | Shippingport (VS) Magnoxreactoren (UK) |
| II | Productiereactoren vooral gebaseerd op lichtwaterreactortechnologie. | 1965-1995 | Alle LWRs in de VS en West-Europa, ook KCB. |
| III | Evolutionaire opvolger van Gen-II. Betere actieve veiligheidssystemen. Hogere efficiëntie. Groot productievermogen per eenheid (‘economy by scale’). | 1995-2025 | ABWR (General-Electric, Hitachi, Toshiba), EPR (Areva). |
| III+ LWR | Evolutionaire opvolger van Gen-III. Meer passieve vervalwarmteafvoer. Goedkoop door simpeler ontwerp en modulaire productie. | Vanaf 2010 | ESBWR (GE), AP1000 (Westinghouse). |
III+ HTR (Pebble-bed) | Kogelbed reactoren gekoeld met helium. Relatief klein vermogen. Inherent veilige vervalwarmteafvoer. Goedkoop door simpel ontwerp en modulaire productie. | Vanaf 2010 | PBMR (ESKOM), HTR-PM (Chinergy). |
| IV | Andere koelmiddelen zoals helium, gesmolten zout en vloeibaar metaal. Hogere bedrijfstemperatuur en hoge efficiëntie. Nieuwe toepassingen zoals produktie van waterstof. Reactortypen die in samenhang de splijtstofcyclus sluiten. | VHTR en SFR vanaf 2020 Andere vanaf 2030 | Very High Temperature Reactor (VHTR) Molten Salt-cooled Reactor (MSR) Super Critical Water-cooled Reactor (SCWR) Sodium-cooled Fast Reactor (SFR) Lead-cooled Fast Reactor (LFR) Gas-cooled Fast Reactor (GFR). |
GENERATIE III EN III+
De gegevens in dit hoofdstuk zijn voornamelijk afkomstig uit informatiemateriaal
verstrekt door de fabrikanten van de betreffende ontwerpen.
ABWR
Veiligheidsaspecten
De Advanced Boiling Water Reactor is een 1350 MWe kokendwaterreactor (BWR) van
Amerikaanse herkomst (General Electric) die is ontworpen in samenwerking met het
Japanse Hitachi en Toshiba. Deze derde generatie reactor is simpeler, veiliger en
economischer dan zijn generatie-II voorgangers. Zo heeft de ABWR intern (in het
reactorvat) geplaatste koelmiddelpompen, een sterk versimpeld primair koelmiddelcircuit,
een versterkte betonnen omhulling en meerdere gescheiden noodkoelsystemen. De ontwerpers
claimen een 10-100 lagere kans op kernsmeltongevallen (2E-7) dan vergelijkbare generatie-II
reactoren. Het containment bestaat uit een koepel van gewapend beton met stalen binnenwand
en een betonnen reactorgebouw.
Economische aspecten / Marktpositionering
De ABWR is al sinds 1997 volledig door de Nuclear Regulatory Commission (NRC)
gecertificeerd (zogenaamde Design Certification), wat betekent dat bij de bouw
van een ABWR in de VS alleen locatie–specifieke effecten hoeven te worden beoordeeld.
Een consortium geleid door Tennesse Valley Authority (TVA) heeft in september 2005
een uitgebreide studie afgerond naar de kosten van twee nieuw te bouwen reactoren
in Bellefonte (Alabama). Binnenkort wordt een beslissing verwacht over de aanvraag
van een Construction en Operating License (COL) bij de NRC. In Japan zijn al vier
reactoren in bedrijf (de eerste sinds 1996) en is er nog één in aanbouw, terwijl
in Taiwan twee reactoren van dit type worden gebouwd.
Brandstof/afval
De ABWR gebruikt lichtverrijkt (tot 4,2%) uranium als splijtstof waarvan elke twee
jaar circa 35% dient te worden gewisseld. Tevens is de ABWR geschikt voor recycling
van plutonium in MOX splijtstof in de gehele reactorkern. De gebruikte splijtstof
van de ABWR is in principe geschikt voor opwerking.
EPR
Veiligheidsaspecten
De European Pressurized-water Reactor (EPR) is een derde generatie reactor van
Europese afkomst, gebaseerd op de N4 reactor van het Franse Framatome en de Konvoi
reactor van het Duitse Siemens/KWU. Beide bedrijven fuseerden in 2001 tot Framatome-ANP
en heet nu AREVA. De EPR onderscheidt zich op het gebied van veiligheid door een
vergaande "defense-in-depth" strategie:
- Een dubbele betonnen omhulling om zowel grote overdruk (6,5 bar) van binnenuit als vliegtuigcrashes (type F16) van buitenaf te weerstaan.
- Vier gescheiden veiligheidsvoorzieningen die de kans op een verlies aan koelmiddel sterk reduceren.
- Grotere watervolumes in het primaire circuit om een langere respijttijd te verkrijgen tot een kernsmelt in het geval van een verlies aan koelmiddel.
- Een zogenaamde ‘core catcher’ om de gevolgen van een kernsmelt te beperken tot de eerste betonnen omhulling en zo verspreiding van radioactieve stoffen te voorkomen.
Volgens AREVA reduceren bovenstaande maatregelen de kans op een kernsmeltongeval
tot een waarde van 1.3E-6 per jaar.
Economische aspecten / Marktpositionering
Door een bovengemiddeld rendement van 36% produceert een EPR gemiddeld 10% meer
elektriciteit en 10% minder afval dan een generatie II reactor. Volgens AREVA bedragen
de productiekosten circa 2,5 tot 3 eurocent/kWh. In Finland (Olkiluoto) wordt
momenteel een EPR gebouwd, terwijl in Frankrijk binnen 2 jaar zal worden gestart
met de bouw van een reactor in Flamanville. Bovendien heeft de fabrikant de EPR
geoffreerd aan China voor de locaties Sanmen en Yangjiang (2x2 reactoren) en is
zij recent gestart met het certificeringproces in de VS.
Brandstof/afval
De EPR gebruikt lichtverrijkt uranium als splijtstof die een 10-20% hogere opbrandwaarde
kan bereiken dan de splijtstof in huidige reactoren. Tevens is de EPR geschikt voor
recycling van plutonium in MOX splijtstof in de gehele reactorkern. De gebruikte
splijtstof is in principe geschikt voor opwerking.
AP1000
Veiligheidsaspecten
De AP1000 is een 1150 MWe drukwaterreactor (PWR) gebaseerd op het ontwerp van de
kleinere AP600. Beide reactoren zijn ontworpen door het Amerikaanse Westinghouse,
een dochteronderneming van het Japanse Toshiba die recent is overgenomen van BNFL.
De AP1000 is een generatie-III+ reactor die zich onderscheidt van andere
drukwaterreactoren door vergaande vereenvoudiging van het ontwerp, wat heeft
geresulteerd in 50% minder kleppen, 80% minder buizen en 35% minder pompen.
Verder wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van passieve veiligheidssystemen,
waarvan de werking berust op natuurwetten zoals zwaartekracht en natuurlijke
circulatie (bijvoorbeeld voor koeling van het containment), of van actieve systemen
in "fail-safe mode", bijvoorbeeld kleppen die zich openen als de netspanning wegvalt.
Bovendien zijn nieuw ontworpen componenten zoveel mogelijk gebaseerd op bestaande
ontwerpen die hun kwaliteiten hebben bewezen.
Economische aspecten / Marktpositionering
De productie van de AP1000 zal in vergaande mate modulair en fabrieksmatig plaatsvinden,
wat de kosten reduceert en de bouwtijd verkort tot 36 maanden. Het ontwerp heeft zeer
recent (Jan 2006) de laatste stap in het certificatieproces (Design Certification)
van de Nuclear Regulatory Commission (NRC) doorlopen. Een consortium van negen
Amerikaanse elektriciteitsbedrijven (NuStart Energy) doorloopt in samenwerking met
de NRC het traject gericht op de bouw van twee kerncentrales in de VS, waaronder de
AP1000 van Westinghouse (de andere is de ESBWR die hierna besproken zal worden).
Bovendien heeft Westinghouse de AP1000 geoffreerd aan China voor de locaties Sanmen
en Yangjiang (2x2 reactoren).
Brandstof/afval
De AP1000 gebruikt lichtverrijkt uranium als splijtstof waarvan elke twee jaar een
gedeelte moet worden gewisseld. De AP1000 is ook geschikt voor recycling van plutonium
in MOX splijtstof in de gehele reactorkern. De gebruikte splijtstof is in principe
geschikt voor opwerking.
ESBWR
Veiligheidsaspecten
De Economic Simplified Boiling Water Reactor (ESBWR) is een grote centrale met een
vermogen van 1550 MWe die is gebaseerd op een studie van General Electric uit de
jaren ‘90. Zijn de primaire koelmiddelpompen in de ABWR in het reactorvat geplaatst,
wat het reactorontwerp al sterk heeft versimpeld, in de ESBWR zijn deze pompen
helemaal komen te vervallen en wordt de primaire koelmiddelcirculatie in stand
gehouden door natuurlijke dichtheidsverschillen in het koelwater. De kokendwaterreactor
in Dodewaard stond model voor dit werkingsprincipe. De toepassing van een "core catcher"
zorgt ervoor dat een eventueel kernsmeltongeval geen consequenties heeft voor de directe
omgeving van de reactor.
Economische aspecten / Marktpositionering
Door het feit dat de primaire koelmiddelpompen en het bijbehorende circuit zijn
komen te vervallen, is het aantal nucleair-gecertificeerde componenten sterk
gereduceerd, wat samen met het grote eenheidsvermogen van de centrale ("economy by scale")
sterk heeft bijgedragen aan de goede economie van dit reactorontwerp. Zowel het consortium
NuStart Energy als Dominion overweegt de bouw van een ESBWR in de VS. Het verkrijgen
van het "Design Certificate" van de NRC wordt verwacht rond 2010, wat zou inhouden
dat de eerste ESBWR in de VS vanaf 2015 in bedrijf kan komen.
Brandstof/afval
De ESBWR gebruikt lichtverrijkt (tot 4,2%) uranium als splijtstof waarvan elk jaar 20%
moet worden gewisseld of elke twee jaar 42%. De ESBWR is naar verwachting geschikt voor
recycling van plutonium in MOX splijtstof (fractie onbekend). De gebruikte splijtstof
is in principe geschikt voor opwerking.
PBMR
Veiligheidsaspecten
De Pebble-Bed Modular Reactor is een kogelbed-HTR van Zuid-Afrikaanse herkomst
gebaseerd op Duitse technologie. Door het ontwerp van de reactor zodanig te kiezen
dat zelfs bij een verlies aan koelmiddel de temperatuur in de splijtstof onder
het toegestane maximum van 1600 oC blijft, kan deze reactor als inherent veilig
worden beschouwd. Dit betekent dat onder alle omstandigheden de splijtstof zijn
integriteit behoudt en geen splijtingsproducten kunnen vrijkomen. Ook is het niet
nodig noodkoelwaterreservoirs aan te leggen.
Economische aspecten / Marktpositionering
De reactorkern wordt gekoeld met helium dat direct naar een gasturbine wordt
geleid die op haar beurt is gekoppeld aan een generator. Door de hoge bedrijfstemperatuur
van deze reactor (circa 850 oC versus 330 oC voor een LWR) is de efficiëntie beduidend
hoger dan voor standaard LWRs (groter dan 40% versus 33% voor een LWR). Hoewel HTR
technologie gedurende lange tijd als niet-rendabel werd beschouwd, claimen de
ontwerpers dat door de hoge efficiency en modulaire productie elektriciteit kan
worden geproduceerd tegen 1.5 eurocent/kWh. Dit lijkt echter een waarde specifiek
voor Zuid-Afrika te zijn. In West-Europa of de VS zullen naar verwachting de kosten
tweemaal zo hoog uitvallen. Om de kostprijs te drukken heeft men al meermalen het
reactorvermogen moeten bijstellen tot de huidige waarde van 165 MWe per module.
Grote vermogens kan men verkrijgen door meerdere modules bij elkaar te zetten,
mogelijkerwijs bestuurd vanuit één regelzaal. Volgens planning zal in 2007 worden
gestart met de bouw van het prototype, waarna in 2014 de eerste commerciële reactoren
in bedrijf zouden kunnen komen. De bouwtijd van de commerciële reactoren bedraagt
naar verwachting slechts 2 jaar. Het Zuid-Afrikaanse elektriciteitsbedrijf ESKOM
heeft zich voorgenomen enkele tientallen reactoren te bouwen.
Brandstof/afval
De PBMR gebruikt lichtverrijkt (10%) uranium als splijtstof. Hoewel de HTR in principe
geschikt is voor andere splijtstoffen, zoals plutonium en uranium-233 gekweekt uit
thorium, wordt dit vooralsnog niet overwogen. De gebruikte splijtstof zit ingebed in
grafiet en kan met de huidige technologie niet aan deze matrix worden onttrokken.
HTR-PM
Veiligheidsaspecten
China heeft net als Zuid-Afrika grote belangstelling voor de kogelbed-HTR. Ofschoon
het ontwerp van de High Temperature Reactor Pebble-bed Module (HTR-PM) later is
gestart dan van de PBMR, zal de commerciële introductie van deze reactor waarschijnlijk
niet ver achterblijven. Door de bouw en exploitatie van de HTR-10, een prototype,
heeft China meer ervaring met HTR technologie. Door de toepassing van de stoom-watercyclus
zou het veiligheidsniveau lager kunnen liggen dan bij de PBMR, doordat water uit het
secundaire circuit naar de reactorkern zou kunnen lekken. Dit moet echter nog worden
onderzocht. Door de inherent veilige vervalwarmteafvoer is het niet nodig
noodkoelwaterreservoirs aan te leggen.
Economische aspecten / Marktpositionering
Voor het energieconversiesysteem van de HTR-PM heeft men gekozen voor de minder
geavanceerde stoom-watercyclus. Ondanks het feit dat dit een lager rendement en
een potentieel hoger veiligheidsrisico oplevert, is de bedrijfszekerheid van de
stoom-watercyclus waarschijnlijk groter dan door toepassing van gasturbines kan
worden verkregen. Recent hebben PBMR en Chinergy een overeenkomst getekend voor
samenwerking bij demonstratie-projecten en commercialisering van HTR technologie
daarna. Het vermogen van de HTR-PM is met 190 MWe iets hoger dan van de PBMR
(165 MWe).
Brandstof/afval
De HTR-PM gebruikt lichtverrijkt (10%) uranium als splijtstof. Hoewel de HTR in
principe geschikt is voor andere splijtstoffen, zoals plutonium en uranium-233
gekweekt uit thorium, wordt dit vooralsnog niet overwogen. De gebruikte splijtstof
zit ingebed in grafiet en kan met de huidige technologie niet of nauwelijks aan
deze matrix worden onttrokken.
Tabel II: Overzicht van Generatie-III en Generatie-III+ kerncentrales.
| ABWR | EPR | AP1000 | ESBWR | PBMR | HTR-PM |
| Type | BWR | PWR | PWR | BWR | HTR | HTR |
| Generatie | III | III | III+ | III+ | III+ | III+ |
| Vermogen | 1350 | 1600 | 1150 | 1550 | 165 | 190 |
| VS certificatie | Ja | Nee | Ja | Nee (2010) | Nee | Nee |
| In bedrijf | 3 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| In aanbouw | 3 | 1 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Kernsmeltfrequentie (1/j) | 2E-7 | 1.3E-6 | 4E-7 | 3E-8 | 0 | 0 |
| 'Core catcher' | Nee | Ja | Nee | Ja | Niet nodig | Niet nodig |
| Constructietijd (jr) | 4 | 4 | 3 | ? | 2 | ? |
| Technische Levensduur (jr) | ? | 60 | ? | 60 | ? | ? |
GENERATIE IV
Inleiding
Binnen deze generatie is een zestal reactortypen geselecteerd waarop het onderzoek
zich richt: drie met een thermisch neutron spectrum en vier zogenaamde "snelle" reactoren
(één reactor, de Super Critical Water-cooled Reactor (SCWR), kan worden ontworpen met
een thermisch spectrum of een snel neutronspectrum). In de eerste categorie hebben
vrijwel alle neutronen in de reactorkern een lage energie, terwijl in snelle reactoren
het hoge energiegebied veel sterker is vertegenwoordigd. Snelle reactoren hebben als
voordeel dat ze beter dan thermische reactoren plutonium en andere actiniden kunnen
recycleren en de hoeveelheid langlevend afval kunnen reduceren, maar vergen nog veel
onderzoek op de gebieden van veiligheid en nieuwe materialen.
Hieronder volgen de zes reactoren die zijn geselecteerd, waarvan (naar inschatting
van de auteur) de eerste twee duidelijk verder ontwikkeld zijn dan de andere vier:
| Nederlandse benaming | Engelse benaming | Acroniem |
| Zeer-hoge temperatuur reactor | Very High Temperature Reactor | VHTR |
| Natrium gekoelde snelle reactor | Sodium-cooled Fast Reactor | SFR |
| Lood gekoelde snelle reactor | Lead-cooled Fast Reactor | LFR |
| Gesmolten-zoutgekoelde reactor | Molten Salt-cooled Reactor | MSR |
| Superkritische watergekoelde reactor | Super Critical Water-cooled Reactor | SCWR |
| Gasgekoelde snelle reactor | Gas-cooled Fast Reactor | GFR |
Ontwikkeltraject
De Very High Temperature Reactor (VHTR) is een opvolger van de HTR zoals die momenteel
wordt ontworpen in Zuid-Afrika en China. Waarschijnlijk zullen zowel een kogelbedreactor
als een reactor met prismatisch kernontwerp op de markt komen. In het laatste geval
bestaat de kern uit grafietblokken met daarin de TRISO splijtstofdeeltjes verdeeld.
Voor de veiligheid van de reactor en het vereiste ontwikkeltraject maakt dit geen verschil.
De eerste demonstratiereactor zal waarschijnlijk tussen 2015 en 2020 in bedrijf komen
(wellicht in Idaho, VS).
Hetzelfde geldt voor de natriumgekoelde snelle reactor (SFR), waarvan enkele prototypes
in bedrijf zijn en enkele demonstratiereactoren reeds voor korte tijd in bedrijf zijn
geweest (bijv. SuperPhenix in Frankrijk en Monju in Japan). Zowel de VHTR als de SFR
vergen elk nog circa 700 miljoen US dollar aan onderzoek.
Op het gebied van de gesmolten zoutgekoelde reactoren (MSR) is veel ervaring uit
het verleden verloren gegaan (in de jaren ‘60 heeft voor korte tijd een testreactor
gedraaid in Oak Ridge, VS). Hetzelfde geldt voor de gasgekoelde snelle reactor (GFR).
Op het gebied van de loodgekoelde snelle reactoren (LFR) bestaat al ervaring in
Rusland en de voormalige Soviet-republieken. Het onderzoek naar de superkritieke
watergekoelde reactor (SCWR) wordt voornamelijk uitgevoerd in Japan. Commerciële
introductie van de laatste vier reactoren (MSR, GCFR, LFR en de SCWR) wordt pas na
2030 verwacht en vergt per reactor nog circa 1 miljard US dollar aan onderzoeksinspanningen.
Veiligheid
Niet alle generatie-IV reactoren zijn inherent veilig. Sommige zullen slechts met
moeite het predicaat passief veilig in ontvangst kunnen nemen. Als maat voor veiligheid
wordt hier verstaan de kans op een incident waarbij schade aan de reactorkern wordt
aangericht. Evacuatie van omwonenden tijdens een incident is echter voor geen van de
generatie-IV reactoren nodig.
De VHTR wordt algemeen beschouwd als inherent veilig. Echter, omdat de VHTR op hogere
temperatuur wordt bedreven als de vergelijkbare generatie-III+ reactoren, zullen
nauwkeurige berekeningen en experimenten moeten uitwijzen of de splijtstoftemperatuur
tijdens incidenten (bijvoorbeeld een verlies aan koelmiddel) onder de limiet blijft
van 1600oC. Om deze grenswaarde te kunnen verruimen, wordt onderzoek gedaan
naar materialen die hogere temperaturen kunnen weerstaan, zoals zirconiumcarbide.
Zowel de MSR, de SFR en de LFR maken gebruik van een vloeibaar koelmiddel met hoge
warmtecapaciteit dat onder lage druk door de reactorkern circuleert. Om deze redenen
scoren deze reactoren hoog op het gebied van veiligheid. De loodgekoelde reactor kan
zelfs worden ontworpen met natuurlijke circulatie van het koelmiddel door de kern.
Van zowel de gasgekoelde snelle reactor (GFR) als de SCWR moet het veiligheidsniveau
nog worden aangetoond.
Economie
De economie van een reactor wordt behalve door de efficiëntie van de reactor en de
bedrijfsvoering ook bepaald door de toegepaste splijtstofcyclus en de mogelijkheid
om verschillende producten te kunnen leveren. Dit betekent dat een reactotype beter
scoort als deze ook op efficiënte wijze waterstof kan leveren. Andere producten zijn
levering van proceswarmte bij hoge temperatuur, stadsverwarming, drinkwater, etc.
Bovendien zal een reactortype met een gunstig bereik van het reactorvermogen
aantrekkelijker zijn, omdat daarmee het toepassingsgebied wordt verbreed.
De VHTR scoort het beste op dit onderdeel. Niet alleen is door de hoge efficiëntie
het rendement van de centrale hoog (45%), ook kan deze reactor worden gebruikt voor
productie van waterstof via thermo-chemische processen. Van de loodgekoelde snelle
reactor (LFR) kan niet alleen een grote centrale voor de productie van elektriciteit
worden ontworpen, maar ook een kleine versie met een zeer lange bedrijfstijd (een
zogenaamde ‘long-life battery core’).
De MSR scoort slecht op dit aspect, vanwege de verwachte complexiteit van de centrale.
Grondstoffengebruik
De mate waarin een reactor voldoet aan dit aspect, wordt vooral bepaald door het
rendement van de kerncentrale en de mogelijkheid tot recycling van (alle) actiniden
in de gebruikte splijtstof.
Ondanks het hoge rendement, scoort de VHTR niet goed op dit aspect, omdat deze
reactor voornamelijk zal worden bedreven in zogenaamde "once-through mode". Dit
betekent dat het plutonium in de verbruikte splijtstof niet wordt gerecycleerd,
hoewel deze optie nog wel in onderzoek is. De andere reactoren zouden in meer of
mindere mate alle geproduceerde actiniden wel kunnen recycleren en zo tot een
splijtstofcyclus kunnen komen waarbij veel minder langlevend afval wordt geproduceerd.
De zogenaamde snelle reactoren bieden wat dit aspect betreft betere perspectieven
dan de thermische. Zij zouden ook de langlevende actiniden uit andere reactoren
kunnen versplijten.
Non-proliferatie en terrorisme bestendigheid
Dit onderdeel is zeer breed interpreteerbaar en daardoor moeilijker te kwantificeren.
Het behelst zowel de mogelijkheid van ontvreemding van nucleaire materialen, als wel
de mogelijkheid tot terroristische aanvallen.
De loodgekoelde reactor met zeer lange bedrijfstijd, de zogenaamde "long-life
battery core", scoort hier hoog omdat de splijtstof van deze reactor slechts een
enkele keer hoeft te worden gewisseld. Bij de kogelbed-HTR, wordt echter continue
splijtstof ontladen en toegevoerd, wat extra controlemaatregelen noodzakelijk
maakt om te voorkomen dat splijtstof ongemerkt aan het proces zou kunnen worden
onttrokken. Een voordeel van dit reactortype is dat de splijtstof is ingepakt in
een grafietmatrix waaraan het uranium moeilijk kan worden onttrokken.
TABEL III: Overzicht van kerncentrales binnen Generatie-IV. De waardering van reactoren met
0/+/++ is uitsluitend bedoeld voor onderlinge vergelijking.
| Thermische reactoren | Snelle reactoren |
| VHTR | MSR | SCWR | SFR | LFR | GFR |
| Veiligheid | ++ | + | 0 | + | + | 0 |
| Grondstoffengebruik | 0 | + | + | ++ | ++ | ++ | ++ |
| Economie | ++ | 0 | + | + | ++ | + |
| Non-proliferatie | + | + | + | + | ++ | + |
| Vermogen (MWe) | 300 | 1000 | 1700 | 150-1500 | 50-1200 | 300 |
| Koelmiddel | Helium | Gesmolten zout | Water | Natrium | Lood- Bismuth | Helium |
| Vereist onderzoeksbudget (miljoen US$) | 700 | 1000 | 900 | 600 | 1000 | 1000 |
| Jaartal introductie na | 2020 | 2030 | 2030 | 2020 | 2030 | 2030 |
GNEP
Inleiding
Het Global Nuclear Energy Partnership bouwt voort op het Generatie-IV initiatief
en het "Advanced Fuel Cycle Initiative" (AFCI) van het Amerikaanse Department of
Energy. Het behelst de toepassing van bestaande (generatie-III+) en nieuwe
(generatie-IV) kerncentrales en de benodigde splijtstofcyclustechnologieën om te
komen tot een gesloten splijtstofcyclus met volledige recycling van plutonium
en minor actiniden. Bovendien zou opwerking van splijtstof en verrijking van
uranium alleen plaatsvinden in een select groepje landen. (Hier worden alleen
de landen beschouwd die de opwerkingstechnologie beheersen, te weten: Japan,
Frankrijk, Rusland, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. De status
van landen die alleen verrijken, zoals Nederland en Duitsland, is vooralsnog
onduidelijk). Deze landen zouden verrijkt uranium moeten leveren aan alle landen
die zich aan een streng inspectieregime willen onderwerpen, en bovendien de
gebruikte splijtstof terugnemen voor opwerking en recycling in thermische of
nieuw te ontwikkelen snelle reactoren. Deze optie wordt aangeboden onder de
voorwaarde dat alle benodigde stappen in de splijtstofcyclus (opwerking,
splijtstoffabricage, transmutatie) operationeel zijn. Dit vergt zeker enkele
miljarden dollars en tientallen jaren voor onderzoek en ontwikkeling.
Hoofdpunten van het GNEP
Hoofdpunten van het GNEP zijn:
- Expansie van kernenergie in de VS en uiteindelijk wereldwijd.
- Ontwikkeling van proliferatiebestendige opwerkingstechnologieën, zoals het
UREX+ proces en het zogenaamde pyroproces.
- Ontwikkeling van de natriumgekoelde snelle reactor t.b.v. transmutatie van plutonium en minor actiniden, te beginnen met de Advanced Burner Test Reactor (ABTR).
- Reductie van de hoeveelheid langlevend afval bestemd voor geologische berging. Het streven is om de huidige Yucca Mountain site te laten volstaan voor alle kernafval geproduceerd in deze eeuw. Dit betreft de recycling van actiniden en de afscheiding en aparte opslag van warmte-producerende splijtingsprodukten zoals Cesium en Strontium.
- De vorming van een betrouwbaar internationaal consortium van "fuel supplier nations" die splijtstof zouden leveren en na gebruik weer zouden terugnemen van “user nations”. De gebruikte splijtstof zou dan worden opgewerkt en hergebruikt in snelle reactoren.
- Ontwikkeling van proliferatiebestendige kernreactoren met relatief klein vermogen (50-350 MWe) t.b.v. opkomende economieën. Deze reactoren zouden een minimum aan nucleaire infrastructuur vergen.
- Ontwikkeling en integratie van geavanceerde “nuclear safeguards” t.b.v. kerncentrales en de splijtstofcyclustechnologieën.
Naar inzicht van de auteur, lijkt het plan vooral ingegeven te zijn door het
feit dat bij toepassing van de “once-through” splijtstofcyclus de voorraden
goedkoop uranium binnen 50-100 jaar zullen zijn uitgeput, terwijl voor de
opslag van de gebruikte splijtstof in dat geval maar liefst 8 "Yucca Mountains"
nodig zullen zijn (bij gelijkblijvend aandeel kernenergie in de VS van 20% tot
het eind van deze eeuw). De ingebruikname van deze ondergrondse opslag voor
gebruikte kernsplijtstof is echter met 15 jaar vertraagd, en de verwachting is
dat pas aan het eind van het volgend decennium Yucca Mountain daadwerkelijk in
gebruik genomen zal worden. Er is dan voldoende kernafval geproduceerd om Yucca
Mountain met een capaciteit van 77.000 ton geheel te vullen.
Budget
Het budget voor 2006 bedroeg 80 miljoen US dollar, terwijl voor 2007 circa 250
miljoen is aangevraagd. Het Congres heeft dit verzoek niet gehonoreerd, maar
gereduceerd tot 120 miljoen. Vooral op de volgende punten bestaat onvoldoende
inzicht:
- Integratie van de benodigde splijtstofcyclustechnologieën (verrijken, opwerken en fabricage).
- Benodigde interim opslagcapaciteit voor gebruikte splijtstof.
- Resulterende afvalstromen, kosten, tijdplanning en risico’s.
Verder wordt de introductie van GNEP gekoppeld aan de vertraging van de
ingebruikname van Yucca Mountain. Dit laatste is alleen acceptabel voor het
Congres als GNEP zou voorzien in voldoende interim opslagcapaciteit. Temeer
daar de gewenste introductie van nieuwe reactoren (in de VS vele tientallen
reactoren in de komende decennia) anders in gevaar zou kunnen komen.
Bovendien zal GNEP ten koste gaan van lopende generatie-IV projecten. Zo zal
in 2007 het budget voor de ontwikkeling van de VHTR met 40% worden gereduceerd
omdat in eerste instantie prioriteit gegeven zal worden aan generatie-III(+)
reactoren. Ook het “Nuclear Hydrogen Initiative”, dat sterk gekoppeld is aan
de ontwikkeling van de VHTR, wordt gereduceerd. Daarentegen is de verwachting
dat de VS meer onderzoek zullen doen naar snelle natriumgekoelde reactoren
(zie volgende sectie).
Schattingen voor het totale GNEP budget lopen uiteen van 20 miljard US dollar
tot 100 miljard. Het Department of Energy verwacht de komende 3 jaar in totaal
3 miljard dollar te spenderen om te komen tot een gefundeerde go/nogo beslissing
in 2009. Andere bronnen spreken van 3 tot 6 miljard dollar in 5 jaar.
Splijtstofcyclustechnologieën
Uraniumverrijking
Hiervoor wordt geen nieuwe technologie ontwikkeld. De huidige ultracentrifuge
technieken zoals die worden toegepast bij URENCO zullen ook worden toegepast
in nieuw te bouwen installaties in Frankrijk en de VS. De status binnen GNEP
van landen met alleen verrijkingsinstallaties maar geen opwerkingsfabrieken,
zoals Nederland en Duitsland, is de auteur (nog) niet duidelijk.
Kernreactoren
Het GNEP voorziet in de ontwikkeling van kernreactoren met een vermogensbereik
van 50-350 MWe. Alhoewel deze reactoren kunnen worden beschouwd als generatie-III+
reactoren, zouden ze een grote mate van passieve veiligheid moeten hebben en een
reactorkern die langere tijd kan worden bedreven zonder splijtstofwissel. De IRIS
reactor, een 335 MWe LWR, wordt hier als voorbeeld gesteld.
Splijtstofopwerking
Omdat opwerking van gebruikte splijtstof met het PUREX proces indruist tegen de
huidige non-proliferatiepolitiek van de Amerikaanse overheid, zal binnen GNEP
geen gebruik worden gemaakt van deze methode waarbij plutonium apart wordt
afgescheiden, maar van het UREX+ proces waarbij plutonium samen met de minor
actiniden en een kleine hoeveelheid uranium wordt afgescheiden. Dit is een proces
dat alleen nog maar op laboratoriumschaal is getest. Opschaling vergt circa 2
miljard US dollar. Ook wordt gekeken naar het Co-ex proces, waarbij plutonium
met een kleine hoeveelheid uranium wordt afgescheiden dat vervolgens in MOX
splijtstof kan worden gebruikt. Dit proces is eenvoudiger en op korte termijn
te implementeren, maar biedt minder weerstand tegen proliferatie dan het UREX+
proces. Voor de opwerking van metallische splijtstof die wellicht in snelle
reactoren zal worden gaan gebruikt, wordt het pyro-opwerkingsproces ontwikkeld.
Landen die reeds het PUREX proces gebruiken, zoals Frankrijk en het Verenigd
Koninkrijk, zouden onder een strikt inspectieregime hiermee door kunnen gaan
en intussen, in GNEP verband, nieuwe technologieën ontwikkelen die een grotere
weerstand bieden tegen proliferatie van plutonium.
Splijtstoffabricage
Over de bouw en bijbehorend tijdschema van splijtstoffabricage wordt nauwelijks
geschreven, terwijl deze stap zeker nog niet tot bestaande technologie kan worden
gerekend. Duidelijk is dat de opgewerkte splijtstof zeer radioactief zal zijn en
dat de splijtstoffabricage volledig zal moeten worden geautomatiseerd.
Transmutatiereactoren
Het plutonium en de minor actiniden zullen in speciale transmutatiereactoren
worden ingezet. Deze reactoren zullen in eerste instantie gebaseerd zijn op
natriumgekoelde snelle reactoren. Gestart wordt met een Advanced Burner Test
Reactor (ABTR) die al in 2014 operationeel zou moeten zijn. Vervolgens komen
grotere versies in bedrijf. Hiervoor is echter nog geen planning gegeven.
GNI
Parallel aan GNEP heeft Rusland het Global Nuclear Initiative (GNI) gelanceerd
dat in grote lijnen hetzelfde beoogt: namelijk te komen tot uitbreiding van
kernenergie en volledige recycling van plutonium en minor actiniden in snelle
metaalgekoelde reactoren. Ook binnen GNI zouden reactoren (Russische
drukwaterreactoren) kunnen worden geëxporteerd naar andere landen die zich
strikt aan het non-proliferatie verdrag houden. Rusland zou ook de splijtstof
leveren en de gebruikte splijtstof terugnemen om deze vervolgens in Rusland
op te werken en het plutonium en minor actiniden te recycleren in snelle
reactoren. Het doel is om op commerciële basis vanaf 2030 snelle reactoren
te kunnen bouwen en bedrijven.
CONCLUSIES
Vrijwel alle kerncentrales die nu operationeel zijn, stammen uit de jaren '70 en '80
van de vorige eeuw en worden gerekend tot de tweede generatie. Afhankelijk van het
moderniseringstraject dat deze centrales hebben doorlopen en het onderhoudsbeheer
dat wordt toegepast, kunnen deze centrales tot 60 jaar in bedrijf blijven. Een
voorbeeld hiervan is de kerncentrale Borssele.
Generatie-III reactoren zijn nieuw ontworpen kerncentrales met een hoger
veiligheidsniveau als oogmerk. Van deze generatie zijn er al enkele in bedrijf
en/of in aanbouw. Hiertoe worden gerekend de ABWR van General Electric en de
EPR van Areva (voorheen Framatome-ANP).
Voortgaand op de zelfde evolutionaire weg wordt gewerkt aan generatie-III+
reactoren die in grote mate vertrouwen op passieve veiligheidsprincipes.
Voorbeelden zijn de AP1000 van Westinghouse, de ESBWR van General Electric,
en de twee besproken Hoge Temperatuur Reactoren, te weten de Zuid-Afrikaanse
PBMR en de Chinese HTR-PM. Deze generatie reactoren zou vanaf 2015 op de markt
kunnen komen.
Generatie-IV is een verzamelnaam voor reactoren die in samenhang op veilige
en economische wijze met een gesloten splijtstofcyclus de energievoorziening
van de toekomst zouden kunnen verzorgen. De meest veelbelovende reactortypen,
de gasgekoelde VHTR en de natriumgekoelde snelle reactor SFR zouden vanaf 2020
op de markt kunnen komen. De andere vier reactortypen vergen meer tijd.
Het Amerikaanse Global Nuclear Energy Partnership (GNEP) bouwt voort op het
generatie-IV programma en het “Advanced Fuel Cycle Initiative”. Het doel is
om te komen tot een gesloten splijtstofcyclus waarbij snelle metaalgekoelde
reactoren worden ingezet t.b.v. transmutatie van plutonium en minor actiniden.
Zodra dit realiteit is, zouden landen die deze technologie beheersen (de
"fuel supplier nations") splijtstof leasen aan landen die kernenergie willen
toepassen onder een strikt inspectieregime. Deze landen zouden de bestaande
generatie reactoren kunnen gebruiken of nieuwe reactoren met een grote mate
van passieve/inherente veiligheid.
GERAADPLEEGDE LITERATUUR
Hieronder volgt een kleine selectie van relevante literatuur en webpagina’s die
zijn gebruikt voor dit rapport.
Generatie-IV
- Westinghouse-AP1000.
- D. Hinds, C. Maslak, Next-generation nuclear energy: The ESBWR, Nuclear News, Jan 2006.
- AREVA-EPR.
- EPR.
- International Atomic Energy Agency.
- P. Lako, M.J.J. Scheepers, A.I. Van Heek, R. Jansma, F.C. Klaassen, Factsheets ten behoeve van Kernenergiediscussie, ECN-CX-05-110, Dec 2005.
- Nuclear Energy Institute.
- Nuclear Engineering International Magazine.
- Nuclear Plant Journal.
- Nuclear Power 2010.
- PBMR.
- Pebble-bed Reactors.
- A.C. Kadak, A Future for Nuclear Energy-Pebble-Bed Reactors, MIT, 2004. Pdf.
- Physics Today.
- Uranium Institute.
- World Association of Nuclear Operators.
- US-DOE, A Technology Roadmap for Generation IV Nuclear Energy Systems, March 2003.
GNEP
|